06 83 97 13 77 help@doktersindeknel.nl

      Eenzaamheid. Eenzaamheid is een belangrijk thema onder verslaafden. Regelmatig terugkerend als ‘topic’ tijdens de meetings. Tijdens je actieve verslaving word je steeds eenzamer. Bij velen ongewild, als consequentie van hun verslavingsgedrag. In mijn geval gewild. Letterlijk alleen of niet alleen, ik was er een ster in mezelf te isoleren. Nog steeds als ik me rot voel. Maar ik heb inmiddels geleerd dat dat ‘oud gedrag’ is, waarin je niet te veel mag vervallen. Niet goed voor je. Zit je niet lekker in je herstel. En lijdt tot..

      Tijdens mijn werk heb ik me nog niet eerder eenzaam gevoeld. Ja, aan het einde van mijn actieve verslaving, toen ik in de overlevingsmodus functioneerde en 24/7 eenzaam was en de, voorheen voor mij holle phrase, ’je onveilig voelen op je werkplek’ voor mij daadwerkelijk inhoud kreeg. Maar zelfs toen, tijdens de nasleep van een calamiteit waarbij iedereen praatte over iedereen en mensen uit alle macht probeerde hun straatje schoon te vegen, had ik collega’s. Echte collega’s, levende, lieve, betrokken collega’s. Mensen die je een hart onder de riem staken en vroegen hoe het met je ging. Al stond ik daar toen totaal niet voor open, ze waren er zeer zeker.

      Als arts-assistent, zowel tijdens mijn opleiding tot tropenarts als tijdens de anaesthesie, klaarde je de klussen samen. Je hielp elkaar met lastige casus (ja, het meervoud van casus = casus, in ieder geval in het Latijn en het is een Latijns woord), klaagde samen over de bazen en de diensten. Borrelde samen en maakte samen foute grappen.

      Als tropenarts heb ik ook altijd in een team gewerkt. De collega’s zaten niet altijd in hetzelfde ziekenhuis en ook niet om de hoek, maar waren net zo betrokken en bevlogen als ik. Op peer support dagen of weekenden heerste er een groot gevoel van saamhorigheid.

      Na terugkomst en weer AIOS (anesthesiologie) had ik het -tot veler verbazing- prima naar mijn zin. Ik was voorzitter van de assistentenclub en lid van de opleidingscommissie. Want samen klagen, dat is gezellig en functioneel voor het groepsgevoel, maar dat zet geen zoden aan de dijk. Ouder dan de meeste AIOS was ik voor sommigen ook een beetje de moeder van de club.

      Na vijf jaar specialiseren was ik anesthesioloog. Ik weet nog wel dat ik aan de anaesthesie begon en het me tegenviel hoe solitair het vak eigenlijk was. Maar, wist ik al snel, je vindt elkaar altijd.. in het ‘anaesthesistenhok’. Daar wordt wat afgekletst, -geluld en -geroddeld. Maar daar kun je ook een lastige casus in de groep gooien of aan een collega vragen hoe hij/zij iets aan zou pakken. En, ondanks het feit dat ik me altijd een ‘atypische’ dokter heb gevoeld, vaak het gevoel heb gehad nergens bij te horen, je kon altijd je verhaal kwijt. Bovendien was er ook altijd iemand, vaak een paar mensen, waar je écht goed mee kon. Waar je een klik mee had en die je ook zag buiten het werk. Je had maten/maatjes/matties.

      ‘Matties’ heb ik gelukkig nog steeds, of misschien weer. Officieel heten ze ‘fellows’. 🙂 Maar op het werk mist, mijns inziens, elk gevoel van werkelijke betrokkenheid. Over het Nederlands elftal wordt al sinds jaar en dag gezegd dat het geen team is (in tegenstelling tot ‘die Mannschaft’) maar dat er meestal elf bv’tjes in het veld staan. Nou, zo functioneren mijn collega’s dus ook. Na de artsenoverdracht in de ochtend maakt iedereen zich zo snel mogelijk uit de voeten. Een ander regelmatig moment van samenkomst; een collegiaal overleg, casuïstiekbespreking, etentje of borrel, is er niet. Een supervisor voor mij, als verslavingsarts in opleiding, moet nog gevonden worden maar voor vakinhoudelijke vragen kan ik bij iedereen terecht. Uhuh.. Iedereen betekent bij iemand die zijn telefoon opneemt en dan tijd heeft. Lees: niemand. Of iedereen, want aan bereidwilligheid geen gebrek (niet sarcastisch bedoeld), wel aan tijd. Dus een concrete vraag alsjeblieft. Mijn werkbegeleider, die er op maandag én vrijdag mééstal is, vroeg me laatst mijn emails (ja, je moet wat..) in ‘Haiku stijl’ te formuleren. Ik keek haar waarschijnlijk een beetje glazig aan, want ze vroeg daarna: ‘Je weet toch wel wat een haiku is hè?’ Ik mompelde iets over een van oorsprong Japanse dichtvorm, een niet rijmend gedicht. Waarop ze zei: ‘Ja, dat ook, maar een haiku bestaat uit drie regels waarbij de eerste regel vijf, de tweede zeven en de derde weer vijf lettergrepen bevat.’

      Nou ben ik tijdens mijn leven én mijn carrière van veel dingen beticht, maar nog nooit van wolligheid of langdradigheid. En nu blijk ik, nota bene in de geestelijke gezondheidszorg, niet kort en bondig (genoeg) te zijn.. Enfin, ik kan mijn draai duidelijk nog niet vinden tussen mijn huidige beroepsbroeders.

      Dus ‘WANTED’: Collega om mee te sparren, verhalen uit te wisselen en/of gedachten mee te delen. Tijd strekt tot aanbeveling, humor is van levensbelang.

      Tot slot mijn ‘Haiku voor Marie’

      Geduld betrachten

      Antwoord korter dan de vraag

      Teveel verwachten?