06 83 97 13 77 help@doktersindeknel.nl

      Willem I

      28 nov 1919 | Blog

      “U begrijpt toch wel dat hij dit over zichzelf afgeroepen heeft, hè?” Zo begon het gesprek met de intensivist in opleiding die zondag in augustus vier jaar geleden.

      Daar lag hij, mijn kleine broertje (want dat bleef hij, ook al was hij inmiddels 37), op de IC in het LUMC. Levenloos, aan monitor en ventilator; voorzien van alle tubes, infusen, katheters en drains, die ik, als anesthesist, behendig en graag steek. Plus een drain in zijn brein (in zijn ventrikelsysteem, om precies te zijn) door de neurochirurg aangebracht om de hersendrukken te meten en, voor zover mogelijk, bij te sturen. Want opereren, dat kon niet. De bloeding was te groot en zat op de verkeerde plek.

      Het was vroeg, die zondagochtend maar mijn ouders waren er al. In het holst van de nacht vanuit Brabant komen rijden. Ze klampten zich vol ongeloof aan elkaar vast terwijl ze naar hun jongste zoon, in coma en omgeven door voor hen totaal onbekende apparatuur, keken. Verdrietig en verloren in deze voor hen vreemde omgeving. Ze keken hoopvol op toen ik binnenkwam. Omdat ik hun oudste dochter ben én omdat ik dokter ben. En ik had voor en tijdens mijn opleiding toch ook op de IC gewerkt? “Onze dochter is onderweg, praat u dadelijk maar met haar dan kan zij het ons uitleggen,” hadden ze dan ook tegen de artsen eerder in nacht en vroege ochtend gezegd. Dat deed deze collega, en hoe. Over de majeure hersenbloeding die inoperabel was en dat hij daar waarschijnlijk aan zou komen te overlijden. En dat dit zijn eigen schuld was, want de ‘tox. screen’ was positief en ze hadden geen AV-malformatie kunnen vinden op de scan. Met andere woorden: Mijn broertje wilde een enorme bloeding in zijn kop krijgen toen hij, met vriend en vriendin, een blauw drankje deelde (met waarschijnlijk iets van MDMA erin) op een festival in Lisse die zaterdagavond. Toch apart dat de desbetreffende vriend en vriendin zich, weliswaar bleek en geschrokken, maar kerngezond, in de wachtkamer van de IC bevonden..

      Ik was te geschokt, te verdrietig om de desbetreffende collega over zijn bureau te trekken en zijn hoofd van zijn romp te scheiden.

      Het is nu ruim vier jaar later en hij is niet dood. Hij is iemand met NAH, niet aangeboren hersenletsel. Mijn intelligente, hypergevoelige, bijdehante broertje die bestemmingsplannen voor heel Zuidoost Brabant (want geograaf) maakte, bezielend leiding gaf aan een team van 32 mannen en vrouwen en een superdaddy was voor zijn twee dochters van 4 en 6 jaar oud, is nu 100% arbeidsongeschikt vanwege een kapot brein en een inspanningstolerantie van anderhalf, twee uur. Dan begint de noeste arbeid van logopedist, fysiotherapeut en revalidatiearts te vervagen en moet hij hoognodig gaan rusten.

      Van ‘op sterven liggen’ in Leiden, via de Medium Care in Nijmegen (want dichter bij mijn ouders en zijn kinderen), naar de gewone afdeling neurologie/neurochirurgie in het Radboud en daarna naar de Maartenskliniek om te revalideren. Want mijn briljante broertje was geenszins van plan om dood te gaan! Toen hij de Maartenskliniek werd binnengereden kon hij niet praten, zitten of lopen, bijna een jaar later verliet hij de kliniek niet voordat hij voorbij alle zusterposten was gelopen en alle verpleegkundigen uitgebreid had geknuffeld en gekust. En praten dat kon hij weer, als Brugman. Want dat hoort er ook bij, bij NAH, karakterverandering en ontremming. Gelukkig wisten de zusters dat, in de Maartenskliniek. Maar dat weet de rest van de wereld niet. Het is hem ook niet aan te zien. En dat leidt regelmatig tot hilarische, vaak tot gênante en soms tot verdrietige situaties. Hilarisch als je met hem op het terras zit, de avond valt en je opmerkt dat de kaarsjes nog niet branden. Dan staat hij op, loopt de kroeg binnen en vraagt om een aansteker. Vervolgens steekt hij niet alleen het kaarsje op onze tafel aan, maar alle kaarsjes op ons terras en op de terrassen van de aanpalende kroegen erbij, onderwijl een praatje makend met alles en iedereen. Gênant als hij zich plompverloren tussen twee jongedames op een bankje nestelt en hen het hemd van het lijf begint te vragen over hun studie. Verdrietig als mensen naar hem staren, wijzen soms, of achter hun hand tegen elkaar beginnen te smiespelen. Omdat hij, door zijn beschadigde brein, ‘anders’ doet. Anders, ja anders is hij zeer zeker. Anders dan anderen en, hoewel ogenschijnlijk ongehavend, ernstig gehandicapt. Heel anders dan de Willem van voorheen en dat is verdrietig, intens verdrietig. Dat doet nog vaak en veel pijn. Bij mij, mijn (onze) ouders en mijn andere broertje. Maar hijzelf? Hijzelf is onstuitbaar! 🙂

      Wordt vervolgd..

      Recente forumberichten

      De storm die het interview in de …
      Perspectief
      Het feminisme mislukt